|
 |
|
MIRJAM DIATLOWICKI
CONTEXTUELE THERAPIE, FAMILIETHERAPIE, COACHING, SUPERVISIE EN BEGELEIDING
|
|
De invloed van het gezin van herkomst op de werkplek
2 Parentificatie
‘De toekomst is niets meer
dan de condensatie van de jeugd’
Reiner Maria Rilke
Met parentificatie wordt bedoeld: de gezinsomstandigheden waarin van
de kant van de ouders het kind verantwoordelijk wordt gemaakt voor het
welbevinden van de ouders. Of door middel van het overnemen van
(verzorgings)taken, door middel van het zich laten verzorgen, of door het
leven voor de ouders te leven. Voor mij is het kader van de contextuele
benadering met de gedachtegang van Nagy bepalend, maar om zo volledig
mogelijk te zijn, heb ik een overzicht van de inzichten die de verschillende
gezinstherapeuten over het begrip parentificatie geven, van Pols &
Schenkelaars uit MGV 2-86 overgenomen. Nagy gebruikt het woord
parentificatie en maakt een onderscheid tussen functionele afhankelijkheid,
waarbij het kind taken van de ouders overneemt en zijnsafhankelijkheid,
waarbij het voor kinderen onmogelijk wordt om zonder schuldgevoelens
zelfstandig te worden. Kinderen vervullen behoeften van ouders, een gegeven
dat in extreme (destructieve) vorm slecht is voor de kinderlijke
ontwikkeling en het funktioneren als volwassene. Daar kinderen existentieel
loyaal zijn naar hun ouders toe, is het vrijwel onmogelijk voor ze om zich
aan deze per definitie a-symetrische ouder-kind relatie te onttrekken. Ze
zullen hun hulp zonodig opdringen of situaties forceren waar de ouders niet
om hen heen kunnen. Stierlin spreekt van het delegatieprincipe. Hieronder
verstaat hij dat het kind een ‘opdracht’ wordt gegeven die voortkomt uit
innerlijke conflicten bij de ouders, waarbij het kind zich ten doel stelt
deze voor hen op te lossen. Hij denkt daarbij vooral aan de
adolescentiefase, waarin extreme binding en verstoting als uitersten spelen.
Minuchin gebruikt het woord adjudant, ‘the parental child’. Het kind komt in
de ouderpositie en wordt een plaatsvervangende ouder, de bewaker van het
gezin. Het welbevinden van het gezin wordt boven het eigen welbevinden
geplaatst, het kind is daardoor niet in staat aan zijn eigen basisbehoeften
te voldoen. Elkind gebruikt het begrip ‘the hurried child’, kinderen die
onder de druk der omstandigheden gepushed worden om zich overhaast volwassen
gedrag eigen te maken, zonder de hiervoor noodzakelijke parallel lopende
emotionele rijping. Het kind krijgt een symboolfunctie die aansluit bij de
emotionele behoeften van de ouders. Ook gebruikt hij de term ‘ouder-kind
contracten’. Dit zijn op wederzijdse verwachtingen en vertrouwen berustende
ongeschreven regels betreffende de relatie, die in de loop van de
ontwikkeling steeds aangepast worden. Problemen kunnen ontstaan als er
‘contractbreuk’plaats vindt en het kind alle volwassen verantwoordelijkheden
te dragen krijgt. Richter spreekt van rolpatronen. Bij het kind is er echter
sprake van een in principe uiterst selectieve, aanvullende en incomplete
rolopvatting met daaraan gekoppeld rolgedrag. Dit is specifiek gericht op
bij de ouders gesignaleerde tekorten. Het kind wordt niet gewaardeerd om wat
het is, maar om wat het conform de rolverwachtingen behoort te zijn. In het
kind wordt door de ouder gezocht: degene die men is, was, zou willen zijn of
juist niet mag of kan zijn. Het kind krijgt deze rol gedicteerd en
accepteert die ook om een betere ouder te zijn of worden dan de eigen
ouders. Van der Plas beschrijft parentificatie als volgt: een
gezins-interactie- patroon waarbij generatielijnen worden overschreden en
wel in die zin dat het kind ouderlijke functies gaat vervullen ten opzichte
van de ouder, waarbij het niet slechts om taken gaat maar er vooral sprake
is van rolomdraaïng. Slaagt men er niet in zich los te maken en te
distantiëren van de opgedragen maar ook verinnerlijkte rol van hulpverlener,
dan kiest men in de latere beroepscarriëre opnieuw voor opofferende
hulpvaardigheid aan anderen. Mij spreekt vooral de term ‘the hurried child’
van Elkind erg aan, vooral omdat geparentificeerde kinderen vaak zulke
ouwelijke en ernstige gezichten hebben waar al zoveel zorgen op af te lezen
zijn. |
| |
 |
|
2.1 Gezin van herkomst |
|
Er komen in ieder gezin wel periodes of situaties voor dat er van de
kinderen wordt verwacht dat zij zich als een verantwoordelijke volwassene
gedragen. Dit is op zich een gezonde situatie waarin het kind de gelegenheid
krijgt om een ‘gever’ te zijn en niet alleen aan de ontvangende kant te
staan, zoals nogal eens over ‘een gelukkige jeugd’ gedacht wordt. Kinderen
zijn gevers van nature. Parentificatie is niet per definitie slecht. Het
geeft het kind ook de gelegenheid en mogelijkheid te leren zorgen voor
anderen, iets te doen waarmee het zich vrijer zal voelen om ook dingen voor
zichzelf te doen en constructief gerechtigde aanspraak te verdienen.
Het wordt destructief als het kind taken krijgt waarvoor het
leeftijdsonbekwaam is, het zich schuldig voelt om zich te ontwikkelen, er
geen rekening gehouden wordt met de capaciteiten, of als er geen enkele
erkenning gegeven wordt voor de inspanningen van het kind. De rigiditeit, de
intensiteit en de tijdsduur zijn mede bepalend voor de mate van de
destructiviteit. Dit zal vooral het geval zijn in gezinnen waar de ouders
niet in staat zijn van hun kinderen te ontvangen, bijvoorbeeld omdat vroeger
ook hun ouders niet konden ontvangen. Deze kinderen zullen dan eindeloos
doorgaan met geven, zonder dat het ooit genoeg zal zijn. Wanneer er door
de ouders helemaal geen erkenning wordt gegeven, bestaat het gevaar dat het
kind een gekozen oplossing voor een situatie, om hier mee om te gaan (coping)
als enige mogelijkheid ervaart en ook later als volwassene geen
alternatieven kan zien bij het zoeken naar oplossingen. Een
onverschilligheid aan de dag legt omdat het toch allemaal niets uit maakt.
De grondlegger van de contextuele gedachte Professor Iwan Nagy geeft aan dat
er twee soorten afhankelijkheid bij ouders bestaan, waarbij hij de
zijnsafhankelijkheid als destructiever beschouwt dan de functionele
afhankelijkheid. Parentificatie door middel van zijnsafhankelijkheid houdt
in dat de ouders het kind nodig hebben om er voor hen te zijn en te blijven.
Het kind mag dus niet groeien of volwassen worden. Het zal tegen wil en dank
toch groeien, maar heeft het gevoel de ouders nooit te kunnen geven wat ze
verlangen. De ouders hebben het gevoel dat hen iets ontnomen wordt waar ze
recht op hebben en zien niet dat ze het kind in de eigen ontwikkeling
belemmeren of deze onthouden. Het kind wordt hierdoor verantwoordelijk voor
het welzijn van de ouders, ouder van de ouder gemaakt en is daarmee de eigen
grootouder. Omdat deze ouders indertijd destructief gerechtigde aanspraak
opgebouwd hebben en zelf nog zo veel erkenning nodig hebben, kunnen zij hun
kind geen erkenning geven voor wat het doet en geeft. Op deze manier
presenteren zij de roulerende rekening aan de volgende generatie. Het kind
wordt het kind van de rekening. Een schrijnend, maar prachtig gefilmd
voorbeeld is de zoon die pianist voor zijn vader wordt in de film Shine. De
vader is door de oorlog niet in staat geweest deze droom tot vervulling te
brengen en verlangt nu dat zijn zoon dat in zijn plaats doet. Wat de zoon
ook doet, het is nooit genoeg. Uiteindelijk betalen beiden hier een hoge
prijs voor. Functionele afhankelijkheid hoeft het kind niet in zijn
groeien te belemmeren. Het destructieve kan hier zitten in taken waar het
kind nog leeftijdsonbekwaam voor is, waar het nog niet aan toe is, of het
onthouden van erkenning. |
| |
 |
|
2.2 Gedrag |
|
Alice Miller heeft in haar boek ‘het drama van het
begaafde kind’ al verband gelegd tussen processen die zich voordoen bij het
opgroeiende kind en de neiging om later een hulpverlenerscarriëre te kiezen.
Door een beroep in de hulpverlening te kiezen, kunnen geparentificeerde
kinderen het aangeleerde gedrag in hun volwassen leven voortzetten. Voor mij
blijkt hieruit dat het gezin van herkomst vanaf het begin betrokken is bij
een maatschappelijke loopbaan of de sociale positie, ook lijkt het erop dat
veel mensen die als kind geexploïteerd zijn, later weer in een situatie
terecht komen waarin ze geëxploiteerd worden of dat zelf zijn gaan doen.
Volwassenen die als kind (destructief) geparentificeerd zijn, kunnen
therapeuten worden die zich altijd groot willen voelen en zich tot in het
extreme zullen blijven inzetten. In hun werk zullen ze zich als vrijwilliger
opgeven, zich aanmelden voor allerlei extra taken en verantwoording nemen
voor zaken die niet tot hun functie behoren. De bedoeling is anderen het
werk uit handen nemen, omdat ze nog steeds op zoek zijn naar de niet
ontvangen erkenning. Maar in de praktijk werkt het vaak anders. Collega’s
raken geïrriteerd door die collega die altijd haantje de voorste is en ze de
kans ontneemt om ook bepaalde vaardigheden te leren en ervaringen op te
doen. De volgende stap is dat er niet meer gevraagd wordt om een
vrijwilliger, maar dat bepaalde werkzaamheden gewoon tot de arbeidstaak
gerekend gaan worden. Men rekent erop dat je die dingen erbij doet, zoals
altijd. En niemand zegt dankjewel, het is vanzelfsprekend geworden. Het
gevolg is dat de therapeut zich niet erkend voelt voor zijn extra inzet en
zich (weer) geexploïteerd voelt. Het zijn vaak zeer gewaardeerde
medewerkers die uitblinken in opofferingsgezindheid, hulpvaardigheid, het
bieden van steun, troost, bescherming, willen bemiddelen, verzoenen en zich
heel verantwoordelijk gedragen. Ze hebben geleerd meer oog te hebben voor de
noden van anderen dan voor zichzelf. Bij al deze eigenschappen staat
de ander altijd centraal. Maar deze vorm van ‘hulpverleners-gedrag’ heeft
ook een andere kant, het geeft de therapeut de mogelijkheid de eigen emoties
en ervaringen af te schermen om het moeilijke en soms pijnlijke proces van
het leren kennen van de eigen kwetsbaarheid te accepteren of te vermijden.
Eigen gevoelens en verlangens zitten vaak ver weg en zijn moeilijk te
benoemen, of sterker nog, te vinden. ‘Ik ben blij als het goed met
mijn cliënten gaat’, is een zin die aangeeft dat een therapeut haar belangen
samen laat vallen met die van anderen. Deze therapeut heeft geleerd dat
blijven geven zonder te ontvangen en daarmee grenzeloos zijn de juiste
manier van werken is. Het levert op deze manier geen validatie op om zich
een autonoom persoon met eigen noden te voelen. Het keerpunt komt vaak
op een moment dat de therapeut in de put raakt met het besef aan zichzelf
voorbij te zijn gegaan. Dat zij niet in staat geweest is de rollen om te
draaien en anderen iets te laten doen, van hen te ontvangen. Hierdoor zijn
de eigen behoeften en verlangens altijd onvervuld gebleven. Men is alleen
maar bezig geweest met zichzelf onmisbaar te maken en het zoeken naar
erkenning en waardering die vroeger niet ontvangen is, het voortzetten van
het als kind aangeleerde gedrag op het werk. Uit de verschillende
definities van parentificatie blijkt dat geparentificeerde kinderen hebben
geleerd ouder voor de ouder te zijn, de verantwoording over te nemen, wat ze
in een sandwichpositie tussen de ouders en broers en zusters kan plaatsen.
Soms kind met de kinderen en een volgende keer ouder van de ouders, als de
eigen grootouder. Als deze therapeut in een team komt werken, kan dit tot
moeilijke situaties leiden. Zij zal proberen een tussenplaats voor zichzelf
te creeëren, een plek waar zij oog voor beide partijen kan hebben, maar op
den duur zal zij deze sandwichpositie net als vroeger als pijnlijk en
waarschijnlijk als onhoudbaar ervaren. Bovendien werkt dit in een team
ongelijkwaardigheid in de hand.
|
| |
 |
2.3 Hulpbronnen |
Het grenzeloos harde werken, het vooral oog
hebben voor de noden van anderen, ongelijkheid of een exploïterende situatie
zijn op zich allemaal al stressfactoren. Heeft deze therapeut een beperkte
sociale omgeving, waardoor ze weinig steun ontvangt en niemand heeft om af
en toe eens bij te tanken, dan is dat een volgende stress factor. Het hebben
en gebruik maken van betrouwbare hulpbronnen is helpend. Als daar een zware
werkdruk, geen feedback of andere werkproblemen bij komen, is dat weer een
stress schepje er boven op. Dan is er vaak nog maar weinig voor nodig om op
te branden. |
|
|